MONDKAPJESGEDOE

Wekenlang heeft het ons hoofdbrekens bezorgd: wel of niet met de auto op vakantie naar ons vaste adresje in Zuid-Frankrijk? In het oude normaal kwam het nog niet eens bij mij op om met de auto te gaan. De gedachte alleen al om urenlang over eindeloze snelwegen te jakkeren met noodgedwongen stops onderweg bij overvolle niet te pruimen wegrestaurants, dikke rijen bij de in- en uitritten van tolwegen en altijd weer die uit het niets opdoemende files. Een regelrechte uitputtingsslag wat niet rijmt met mijn definitie van vakantie. Geen denken aan, een ‘no go’, zelfs niet met geld toe.

Maar nu. Nu was alles anders. Nu was er die allesoverheersende drang om op vakantie te gaan om tijdelijk afstand te nemen van alle coronaperikelen. Vrijheid te proeven. Weg van huis, waar we veel te lang rond gebivakkeerd hadden. Maar een verplicht mondkapje tijdens vliegen benauwde ons dusdanig (we krijgen het sowieso al benauwd van vliegen) dat we filosofeerden om met de auto te gaan. Wij, met de auto. Wij, mijn dochter en ik, die tijdens een rit van een uur al twee keer wisselen…

Ik toetste mijn idee zo her en der. Gegniffel. ‘Met de auto? Naar Zuid-Frankrijk? Jij? Serieus?’ Het viel niet echt heel lekker. Iemand herinnerde mij fijntjes aan de tijd dat ik bijna uit de vriendengroep gezet werd omdat ik steevast onhandelbaar was tijdens de jaarlijkse rit naar de wintersport. Net over de grens begon ik al te zuchten en te zeuren en bij aankomst was ik de instorting nabij. En dan reed ik meestal nog geen meter zelf. Later met man en kinderen nog één keer geprobeerd met de auto naar Frankrijk te rijden. Het werd gelijk de laatste keer. Ook navigeren bleek niet mijn sterkste kant.

Toch vertrokken we. Met de auto. Vastberaden. Aantal kilometers tot bestemming: 1400. Twee overnachtingen onderweg in het vooruitzicht, catering ‘aan boord’ voor een weeshuis, dubbel navigatiesysteem en voor de zekerheid een ouderwetse wegenkaart op schoot. Overal op voorbereid en vol goede zin. Al snel bemerkten we prettige bijkomstigheden van dit coronatijdperk. Geen kip op de weg, uitgestorven luchtplaatsen en een sjoelbak-entree bij tolwegen (welke van de 15 lege poortjes nemen we?). En hoezo konden wij dit niet? Haha, niets stond de ideale reis meer in de weg. Zonder benauwd mondkapjesgedoe, vrij ademend, baas in eigen ruimte. We overwogen zelfs om in een keer door te rijden.

Te vroeg gejuicht. In België ontdekten we overal levensgrote, niet te missen, borden met ‘masque obligatoire’. Tja, en die hadden we dus uit pure recalcitrantie niet meegenomen. Bij aankomst in ons eerste tussenstop-hotel bonjourde de receptionist, getooid met zo’n foeilelijk ziekenhuisblauw mondkapje, ons op onverstaanbare (dat krijg je dus met zo’n lap voor je mond) en ongastvrije wijze de tent weer uit. Konden wij soms niet lezen? Nog net voor sluitingstijd scoorden we een dozijn mondkapjes bij een apotheek. Gelukkig, anders hadden we alsnog in een keer door moeten rijden.

De volgende ochtend stonden we in een lange rij voor het ontbijt. Met mondkapje. Nog licht in verzet. Want wat heeft het voor zin? Zodra men aan tafel gaat zitten gaan mondkapjes af en worden virussen en bacteriën alsnog in het rond geblazen. En wat te denken van gebruikte mondkapjes die bungelen aan iemands oor, onder de kin geplakt zitten, ergens in een zweterige broekzak gestoken worden of fungeren als servet en vervolgens weer opgezet worden in het kader van ons aller gezondheid…

Intussen zijn we weer veilig thuis. Ruim 3000 km op de teller. We did it! Slechts één keer verkeerd gereden, hilarisch genoeg bij vertrek uit Amsterdam. Wel was het vermoeiend. Ik overweeg dan ook om nog een extra weekje te pakken. Met vliegtuig dus met mondkap. Ik ben er nu toch al aan gewend.

Deze column is geschreven voor Meeting Magazine.

Mondkapjesgedoe